In Klazienaveen
zondag 16 juni 2024
‘Het regent zo, het regent zo, en kijk nou eens! ’t Is bar!’ Mijn moeder moet dit hebben voorgelezen, vroeger - al weet ik daar zelf niks meer van. Vroeger. Ik ben met de trein op weg naar mijn vroegste herinneren en het regent zo. Het regent zo…..
Vroeger. Vroeger ging ik lopend naar school, mijn neus achterna of achterstevoren. Of al huppelend, hinkelend, touwtje springend, tollend, kaatseballend, bokkie springend. En op de fiets naar de grote stad Utrecht, naar het zwembad, naar de Lek - waarbij de eerste keer mij nog helder voor de geest staat: op de terugweg, in de Paardenlaan, dreigde ik de sloot in te sukkelen met mijn fietsje. Mijn vader redde me door zijn hand om mijn nek te leggen.
Vroeger wist ik, zwemmer, tekenaar en muzikant, nog niet dat ik een wandelaar zou kunnen zijn. Én een schrijver, én een zangeres. Meer talenten hebben is lastig, want daardoor versnippert je aandacht en word je nergens echt goed in, zei mijn Leidse vriendin. Ik had haar weer vergezeld op haar missie, dit keer naar Harderwijk. Ze had het overigens over zichzelf. Ik herkende dat, beaamde het aanvankelijk. Maar toen ik er thuis beter over nadacht (een denkhoofd hebben, is dat ook een een talent?), besefte ik: Het allerbeste uit jezelf willen halen zit in je aard - of niet, zoals in de mijne. Het aantal van je talenten is helemaal niet van belang; je kunt toch één talent kiezen om waanzinnig goed in te worden? Zelf vind ik het wel makkelijk om, meegaand met omstandigheden, innerlijke groei en fysieke ontwikkeling, domweg te kunnen overstappen. Van zwemmen naar wandelen, van spelen naar zingen, van tekenen naar schrijven. Van zingen naar ‘spoken word’? Ja, doe dat maar.
Goed, ik zat dus in die trein op weg naar mijn vroegste herinneringen: de kleurige cirkel in het kanaalwater, de buren die ik midden in de nacht hard hoorde praten op onze overloop, en het gras in de achtertuin waaraan ik mijn vinger open haalde. Ik was op weg naar mijn geboortehuis in Klazienaveen, het huis waarin ik bijna zes jaar heb gewoond en mijn oudere zus twee jaar langer. We gingen eerst uitvoerig lunchen, mijn zus en ik, vooral om de voorpret langer te laten duren.
We zagen de achterkant van het rijtje huizen het eerst. De schuurtjes, de diepe achtertuinen begroeid met ruig gras, de dichtgetimmerde ramen en deuren. Rondom de verwilderde voortuintjes stond zo’n hoog hek van staaldraad. Alle ramen waren aan de binnenkant afgedekt met lappen. Gestreepte lappen, witte lappen, blauwe lappen, gestippelde lappen. Het was alsof de bewoners daar hun laatste lakens hadden gehangen. Wat deden we hier ook alweer? O ja, eens zien hoe ons oude huis erbij staat, het huis waarin mijn onlangs overleden jongere zus en ik zijn geboren. Zo dus. Het kanaal waar grote zus al spelend in was gevallen met haar kleurige cirkelrok aan, is gedeeltelijk gedempt - wat we al wel wisten. En zelfs nu was het dak van de buren het enige kapotte dak. Bij een nachtelijke storm woei hun dak eraf, zodat ze midden in de nacht bij ons kwamen slapen. Ik bleef van het harde gras af. Mijn vader, die destijds een pleister op mijn bloedende vinger plakte, is er immers allang niet meer. Mijn moeder, die zuiniger was met pleisters, trouwens ook niet. Het ging nog regenen ook, heel hard regenen.
De cursieve tekst is uit ‘Het grote voorleesboek’ van W.G. van der Hulst.
geplaatst door RodeJas - 1571 keer gelezen
Vorige berichten
Zo vrij als een vogeltje of een vleermuis
Voor middelgrote afstanden (tot pakweg 25 km.) maak ik bij voorkeur gebruik van mijn gewone fiets zonder elektrische ondersteuning. Voor grotere af
Herinneringen liggen aan de bron voor de toekomst
Herinneringen liggen aan de bron van de toekomst
Herinneren…Weet je nog mam, toen we… Onlangs zaten we met heel ons gezin aan
Als je voor een dag een man zou mgen zijn
Iedere maandagmiddag ontmoet ik in het dorpshuis een groepje alleeenstaande dames. Onder leiding van een activiteiten begeleidster gaan dan we iets