Boost
donderdag 20 maart 2025
Het kan raar lopen. Ik was gevraagd voor een privétraject en haar naam kwam me al bekend voor.
Toen ik haar intakedossier las, viel het kwartje. Vijf jaar geleden was zij een van de 250 cursisten met wie ik samen met een aantal collega’s naar ’s werelds grootste bloementuin toog.
Vanaf het moment dat dit uitstapje op school bekend werd, ging de reis nu eens naar de Keukentuin, dan weer naar het Kuikenhof en ook wel naar die Koikerhoofd. Ik rekende het allemaal goed. Als jullie maar op tijd zijn, want de bus wacht niet, voegde ik er steevast aan toe, want wie al kriegel en ongeduldig wordt van een Brabants, Leids of academisch kwartiertje nodig ik van harte uit om eens een equatoriaal kwartiertje te wachten. Het was dat weekend niet nodig. Drie kwartier voor de aangekondigde vertrektijd was iedereen er. Eerlijk gezegd was ik zelf een van de laatsten, maar ik was nog wel op tijd om een collega die als reisleider zou fungeren de laatste instructies te geven. Hij zou beginnen met ‘Tulpen uit Amsterdam’. Toen we snelweg opdraaiden en het begon te regenen, pakte hij de microfoon.
‘Jullie weten het nog hè, ik zing de eerste regel en jullie de tweede. Daar gaan we. Als de lente komt dan stuur ik jou …’
‘… tulpen uit Amsterdam’, klonk het aarzelend, maar wel goed hoorbaar.
‘Nog een keer, maar nu allemaal meedoen. Als de lente komt pluk ik voor jou …
‘… tulpen uit Amsterdam’, zong de bus nu uit volle borst.
Ik griste de microfoon uit de handen van mijn collega en zei: ‘Wacht even jongens, in de Keukenhof mag je echt niets plukken hoor!’
Ik gaf de microfoon terug aan mijn collega en hij ging door: ‘Als ik wederkom dan breng ik jou …’
‘… tulpen uit Amsterdam’. Het klonk toch wat mat na mijn waarschuwing.
Zelf was ik bij de voorbereiding direct over dat ‘wederkom’ gestruikeld. Wat doet zo’n germanisme in een oer-Hollands lied? Maar Tulpen uit Amsterdam bleek helemaal geen Nederlands lied; het is van oorsprong Duits!
De reisleider zong onverstoorbaar voort: ‘Duizend gele, duizend rooie, wensen jou het allermooiste. Wat m'n mond niet zeggen kan …’
‘… zeggen tulpen uit Amsterdam’, klonk het verzuchtend.
Wat mijn mond niet zeggen kan. Vind ik ook zo’n gekke regel. Ik bedoel, een mens kan zonder woorden en tulpen anno nu op het gebied van de liefde toch heel wat duidelijk maken met zijn of haar mond, maar gelukkig bleef het stil in de bus.
‘Zeg jongens, weten jullie eigenlijk waar de tulp vandaan komt’, vroeg ik. Domme vraag. ‘Mijn docent’, riep ze, ‘de tulp is de bloem van het Ottomaanse rijk.’ Voormalige, huidige en toekomstig gewenste landsgrenzen waren, evenals godsdienst verboden terrein in onze lessen, dus ik zei: ‘Waar de tulp precies vandaan komt, weten we niet precies, maar hij komt zeker niet uit Nederland. Heel goed van jou. Nou, we zijn er bijna. Zullen we dat liedje nog een keer zingen?'
Het was me het interculturele dagje wel. Een uitstapje naar de nationale bloementrots waar Nederlanders moeiteloos opgaan in 100 andere nationaliteiten, waar een niet-Nederlands bolgewas de boventoon voert – onder de 7 miljoen bloemen bevinden zich 800 soorten tulpen – en op de heen- en de terugweg een wereldberoemd liedje over tulpen uit Amsterdam dat van oorsprong een ordinaire Duitse Schlager is.
Toen ze vorige week binnenkwam, begroette ze me, verrast als ze was om mij te zien, als vanouds: 'Hallo, mijn docent!' Net als toen vond ik het wel jammer dat het bezittelijk voornaamwoord alleen in professionele zin van toepassing was.
Ze ging dit seizoen in de Keukenhof werken en wilde voor die tijd haar Nederlands nog een boost geven. Geen woord Chinees bij. Van Dale, zestiende herziene editie, 2022, bladzijde 615. Zelf denk ik elke lente: nu ga ik de liefde een boost geven. Dromen mag.
geplaatst door PlanB - 1094 keer gelezen
Vorige berichten
Mijn huis
Ik heb een mooi oud en groot huis, waar ik graag en (een beetje trots) binnenkom. Ik ken de geluiden, weet waar het licht mooi valt en waar je fijn zit. Ik kan me hier goed redden.
En dat is misschien wel precies het woord: redden.
Ik kook, ruim op, zet de vuilnis buiten en heb mijn leven aardig op orde. Geen zorgen, goede gezondheid, veel sociale contacten. Maar soms, vooral ’s avonds, als het huis stil wordt, ontbreekt er iets.
Ik mis een partner.
Niet zo zeer voor vakanties of feestdagen. Om ergens te gaan eten of drinken, naar een museum te gaan of een wandeling te maken. Dat zijn fijne dingen, zeker. Maar …..
Ik mis iemand, die er gewoon is. Die niet per se naast mij op de bank hoeft te zitten. Die misschien een film kijkt of in de keuken een kop thee maakt, terwijl ik achter de computer zit. Iemand van wie je de aanwezigheid voelt, zonder dat er gepraat hoeft te worden. Dat je allebei je eigen dingen doet, soms zelfs op grote afstand, maar gewoon weten en vooral voelen: wij horen bij elkaar, wij zijn er voor elkaar. Altijd de verbinding en de liefde voor elkaar voelen.
Mijn huis is mijn huis. Daar ben ik blij mee. Echt. Maar soms denk ik: het zou nog warmer zijn als iemand hier niet op bezoek kwam, maar thuiskwam.
En…. hoe ik ook gehecht ben aan mijn huis. Ik hoop dat duidelijk is, dat dat dus niet het belangrijkste in mijn leven is. Ik zou het graag ruilen voor een gezellig huisje vol liefde ergens op een dijk langs de rivier, naast het bos of bij het strand. Een leuk appartement in het centrum van de stad mag ook. Het maakt eigenlijk niet uit zolang er op zaterdag een ouderwetse papieren krant in de bus ligt en een kopje koffie van je geliefde op tafel staat en er vrede in je hart is.
Terug naar de eenvoud en de essentie van waar het in dit leven echt om gaat. Ergen thuiskomen.
Waar val ik op en wie valt op mij?
In een vorige blog heb ik de consequenties aangeroerd van een letterlijke val. Niemand vindt het fijn om ongewild een val te maken. Alleen parachutisten is het gegeven door een goede beveiliging een – lange – val te maken. Maar verder? Soms letten we niet op, en dan gaat het goed fout. Er is nog een andere valpartij: als een regering ten val wordt gebracht gaat dat veelal gepaard met geweld of doordat ze ernstige fouten heeft gemaakt en daardoor opstapt.
Er is ook een verschil tussen ergens over vallen en op iemand vallen. Bij het daten gaat het er om, dat iemand je eerst opvalt – opvallend vindt, dat je dan op die persoon valt omdat hij of zij je bevalt. Grappig dat het werkwoord vallen dus positief en negatief gebruikt wordt, al naar gelang de context waarin het geplaatst wordt.
Ik geloof dat het een enkele keer voorkomt, dat beide personen meteen op elkaar vallen. Vaker zal een van de twee zich erg aangetrokken voelen, terwijl de ander nog onzeker is over zijn of haar gevoelens. Als na enige tijd het samenzijn – de ontmoeting beiden bevalt kan het na verloop van een jaar zelfs leiden tot een bevalling…. Anderzijds kan een date ook gruwelijk tegenvallen.
Ik kan er niet omheen, het valt mij op dat ook als je niet meer zo piepjong bent toch het uiterlijk bij de eerste ontmoeting essentieel is. Hoewel, is uitstraling een betere omschrijving?
De eerste keer, dat je elkaar aankijkt bij een date is uiterst belangrijk. Daar staat of valt alles mee. Mannen vallen vaak op een bevallige dame, vrouwen kijken meer dan mannen naar de kleding en uiterlijke verzorging.
Veel uiterlijke aspecten zijn vaak momentopnamen. Er zijn legio cartoons van vrouwen met krulspelden in het haar als ze wakker worden en van mannen met een buik welke bij geval als dienblad gebruikt kan worden. Niemand gaat op voorhand proberen te daten met zulke mensen. Daten is een zaak van vallen en opstaan. Wie vaker dan een of twee keer een afspraakje had dat geen vervolg kreeg moest zich zeker als zo’n gevalletje zich voor het eerst voordeed even herpakken, voordat hij of zij het opnieuw probeert. Een afzegging – een blauwtje valt niet lekker.
Sommige dates zijn echt niet leuk. Het is nog net geen gevecht. Ik herinner mij nog dat ik als jonge knaap een keer werd uitgenodigd bij een dame thuis. Zij zat nota bene achter een bureau en ik mocht op een stoel daarvoor plaats nemen. Misschien was ze bang dat ik in de aanval zou gaan?
Nu schiet mij de spreuk te binnen van Karel Doorman, Karel Doorman wordt vaak geëerd omdat hij in 1942 tijdens de Slag in de Javazee “Ik val aan, volg mij” zou hebben gezegd, wat erg dapper werd gevonden. Dit is echter niet geheel waarheidsgetrouw. Doorman gaf aan alle schepen het sein “Follow me” (“[to] All ships. Follow me”). Daarmee gaf hij aan dat ze niet de Exeter, maar het vlaggenschip De Ruyter moesten volgen. (bron Wikipedia)
Ik zal die kreet absoluut nooit slaken. Maar het kan geen kwaad er voor te zorgen, dat ik niet steeds in de zelfde valkuil loop, mocht ik ooit weer een date hebben… Andersom zet ik wel een valletje als ik een muis wil vangen, maar die strategie hanteer ik niet voor een date..
Hopelijk valt deze blog niet verkeerd en misschien valt hij in de smaak, en ik hoop dat niemand zich aangevallen voelt..
Altijd een beetje verdrietig in de vakantieperiode
Op sociale media buitelen de vakantiefoto’s over elkaar heen. Lachende gezichten, tropische stranden, cocktails en gezellige terrassen.
Het is de tijd van het jaar waarin het leven er voor velen net iets mooier uitziet. En eerlijk: ik gun het iedereen. Echt. Na een jaar hard werken, zorgen, rennen en vliegen is het heerlijk als je even stil kunt staan of juist wegrennen naar iets dat licht en luchtig voelt.
Toch wringt het ook. Al van jongs af aan geeft deze periode me een dubbel gevoel. Misschien begon het al toen mijn moeder ernstig ziek werd, ik was nog maar een jaar of zes. Ik woonde in Katwijk en ging dus regelmatig naar het strand. Terwijl vriendjes zorgeloos speelden, dacht ik aan mijn moeder, die al maandenlang zo alleen in het ziekenhuis lag. Dat contrast, van zon en zorg, is me altijd bijgebleven.
Een paar jaar later fietste ik op een zomerdag met een buurjongen een flink eind het dorp uit. Onderweg kwamen we toevallig mijn vader tegen, die aan het werk was. Hij gaf ons allebei een dubbeltje voor een ijsje. Zo’n klein gebaar, en toch voelde het groots: vrijheid, zon, avontuur en vakantie! Maar ook toen weer dat stemmetje in mijn hoofd: hij moet doorwerken en voor ons zorgen, terwijl wij plezier maken. Ik vond het zielig om hem achter te laten.
Het zit in me, en ik zal er waarschijnlijk nooit meer van af komen, dat bitterzoete gevoel dat vakantie heet. Natuurlijk kan ik genieten van reizen, lekker eten, muziek, gezelligheid en mooie dingen. Maar juist op die momenten, als alles klopt, denk ik ook aan wie het niet zo getroffen heeft. Aan mensen die ziek zijn, eenzaam, een beperking hebben of die rouwen. Aan geliefden die er niet meer zijn. Mensen in oorlogsgebieden, die alles kwijt zijn en in permanente angst leven. Aan mensen met geldzorgen, of die om wat voor reden dan ook de zomer niet als licht ervaren.
Soms voelt het alsof de contrasten in de zomer alleen maar groter worden. Juist als het leven gevierd wordt, zie je scherper wie er buiten de boot valt. Niet omdat mensen met hun leuke foto's het niet goed zouden bedoelen, echt niet, maar omdat geluk nu eenmaal niet eerlijk verdeeld is.
Toch wil ik dat dubbele gevoel blijven omarmen. Dankbaarheid voor alles wat ik heb gekregen én medeleven met anderen die het minder getroffen hebben. Blijdschap omdat ik gezond en gelukkig juist deze zomer 71 hoop te worden, terwijl anderen (veel) jonger dan ik dat niet hebben mogen meemaken. Echte rijkdom zit niet in verre reizen of dure diners, maar in het vermogen om te blijven zien hoe goed je het zelf hebt aan de ene kant en wie er buiten beeld valt aan de andere kant.
En daarom wens ik jou, wie je ook bent, waar je ook bent, een zomer vol kleine lichtpuntjes. Of je nu op een bergtop staat, aan zee zit of gewoon je best doet om helemaal alleen de dagen door te komen. Ik hoop dat je iets vindt dat je troost geeft, iets dat je laat glimlachen of iemand die aan je denkt en er voor je is.