Moed, beleid en trouw
zaterdag 5 juli 2025
"Als de maan vol is,zal je al niet meer bij me zijn" zei je in Alençon. Je keek omhoog naar hoe de sikkel in lichtend blauwe flarden naar de blauwzwarte nacht steeg. Het was een keus, die je vooraf zelf had gemaakt, over twaalf dagen zou je zoon mijn plek innemen en zou ik rond gaan trekken door mijn lievelingsland.
Maar voor het zover zou zijn, gingen we natuurlijk weer op avontuur als vanouds:) "Mijn god, wat een korte invoegstrook, hoe komen we in vredesnaam vanaf dit benzinestation levend op die snelweg terecht??" Terwijl je tankte, observeerde ik de vrachtwagen voor ons, en hoe hij de weg opdraaide. Hoog en droog en onverstoorbaar zette hij zijn combinatie er gewoon dwars in. Een beetje Tesla wijkt natuurlijk wel uit, geen ergere schande denkbaar dan een krasje op de lak. "Laat mij het maar doen" sprak ik kordaat. Ik keek al bij de benzinepaal over mijn linkerschouder om het invoegstuk te verlengen, trapte het pedaal in et voila, het was minder erg dan het leek.
Hoewel wij in veel opzichten gelijk zijn, ben ik natuurlijk altijd de moedigste, en jij de verstandigste. Maar heb jij wel een moedige vrouw nodig? "Mijn vriend Jos, die is opgehaald door een kenau, die hem desnoods aan zijn haren de grot insleurt, en hij was mijn enige vriend die de waarde van vriendschap en trouw begreep" had jij op je verjaardag nog gezegd. Ik keek je peinzend aan. Nooit zou ik iemand tegen zijn zin in aan zijn haren ergens naar binnen sleuren en dwingen pap met vellen op te eten, want mijn devies is toch nog altijd wel gelijkwaardigheid. Moedig zijn, dat beschouw ik als een deugd, en agressie als iemand die zijn angsten de boventoon laat voeren. Dus als ik zo diep moet zinken om als een trofee beschouwd te worden, past dat dan wel bij me?
De bergen kwamen, jeugdherinneringen overvielen me, hoe ik als kind voor het eerst bergen zag, exact deze bergen, hoe deze bergen nog steeds groen en mysterieus, hun toppen in wolkenflarden gehuld de mens spottend en tegelijk berustend bekeken, kijk ze daar nou toch, zich inbeeldend dat ze ons kunnen trotseren, als mierenkolonies slepen ze hun infra aan, maken haarspeldbochten, leggen tolwegen aan, nog geen duizend beleidsplannen zullen deze bergen ooit kunnen overwinnen, wij de bergen zullen hier over duizend jaar gewoon nog zijn, als al jullie tolhuisjes al overwoekerd zijn door brandnetels, bramen en varens! Er leek geen einde aan te komen, de auto zwoegde en sputterde, weer een bocht, overal geboomte, geen hoge bomen maar toch ondoordringbaar, heel soms vingen we een glimp op tussen de stammen door van de diepte onder ons, een kolonne auto's die zich een weg baanden naar de andere kant, af en toe een ongeduldige local die levensgevaarlijke inhaal manoevres uithaalde om twee minuten eerder thuis te kunnen zijn of voor altijd op de begraafplaats te moeten rusten.
Rondborstige engelen bewaakten op de begraafplaats het medallion van een befaamde egyptoloog. Zijn vrienden hadden het vijftig jaar na zijn dood nodig gevonden om geld op te halen en een flink mausoleum over zijn graf te zetten. Waarom, zo vroegen wij ons af, vonden ze dat nodig? Had het deze man tijdens zijn leven aan erkenning ontbroken? Of was het een kwestie van egotripperij, waarmee de lokale rotaryclub wilden aantonen dat ook hun stad iemand had voortgebracht die in een piramide verdiende te liggen? Voorzichtig klommen wij over de grafstenen, de tuinman die over een kwartier het hek ging sluiten hield ons met een oog in de gaten. Beneden was nog een familiegraf van de familie Franco, kaal en sober, geen spoor van pijlen en falangisten. Zou het echt zo zijn dat de Grote Lijder hier in deze winderige grensstad op de hoogvlakte lag opgesloten??
Met piepende remmen daalden we de berg Monsanto af, heter en heter werd het, de geelgepleisterde muren slingerden om de bontanische tuin van Ajuda heen. Opeens ging er een groen gietijzeren hek open, een soort lakei stapte naar buiten en twee toeristen voor ons schoten op hem af om te vragen of ze de tuin in konden. Dat bleek niet onmogelijk te zijn, maar deze ingang was niet voor gewone mensen, en hij wees, heel wijds en ver, daar, daar eerst helemaal naar beneden en dan daar, die kant en dan daar weer omhoog en daar was het, het hek voor de gewone mensen! Wij keken elkaar aan. Zijn wij gewone mensen? Jullie weten het al en wij ook, maar omdat wij er zo gewoon uitzien, wist deze lakei van niks.
Het was een juweel van vergane glorie, koninklijkheid en exotische bomen. Witte pauwen wieuwden naar elkaar en met tuinslangen werd de bougainville besproeid. Onderaan de trappen stond de hooggehakte nouveau riche een bruidspaar toe te juichen terwijl wij als ware paparazzi de gestutte overzeese schatten fotografeerden. In de diepte zagen we het turquoise water waar de koloniale schepen zaden en slaven aan land gebracht hadden. "Kijk, in een tuin zoals deze mag je mijn as verstrooien als ik er niet meer ben" Ik keek je aan om te zien of je dat echt meende. Voorlopig waren we nog gezonder dan menige hangbanktiener, dus dat zou nog weleens een knappe tijd kunnen duren voor het zover was. "Is goed hoor, dat regel ik wel voor je" sprak ik monter. In gedachten had ik al discussies met zijn zoon over de wijn die we zouden serveren. Trouw zijn kost sommige mensen meer moeite dan anderen, maar dat kan je aan ons wel overlaten.
Hebben jullie speciale wensen of gedachten waar jullie je as willen laten uitstrooien of kan de urn zo met het grofvuil mee?
geplaatst door 0ptimist - 1093 keer gelezen
Vorige berichten
Daten in de digitale wereld
In de eerste decennia van mijn leven stonden computers nog in de kinderschoenen. Bij mijn eerste werkgever in 1968 waren zij op de afdeling documen
Ik was zijn muze
Een muze is geen willekeurig persoon die toevallig model staat voor een schilder. Ben je de muze van een schilder, dan slaat er bij de kunstenaar e
Man Cave
Je kan toch ook gezellig naast mij zitten terwijl jij met je Excel dingest? Nee. Mijn brein kan één ding tegelijkertijd. Of ik aanbid je glorieuz